Bouw

Vanouds zoekt de Twentse boer zich een elzen-, berken, of wilgenstammetje dat aan de onderzijde enigszins gebogen toeliep. Daar moest het ook een doorsnede hebben van ongeveer 12 cm. De hoorn werd gewoonlijk ingekort tot een standaardlengte van 1.20 m. Eerst werd de bast er af geschild. Daarna werd de hoorn gefatsoeneerd totdat de vereiste vorm was bereikt. Vanaf het smalste stuk werd dan een gat geboord, waarna het stammetje met een lintzaag in de lengterichting werd doorgezaagd.

Vervolgens...

Vervolgens werden de zo ontstane helften uitgehold met een klompenmakersguts. Voordat beide helften weer werden verenigd, bracht men in de naden als pakking een stoelenmattersbies aan, om lekkage te voorkomen. Een “natte” hoorn werd namelijk voor gebruik onder water gedompeld, waardoor de bies zwol en de naden zo hermetisch werden afgesloten.

De hoorn werd dan nog omwikkeld met een paar hoepeltjes van gespleten braamranken of wilgentenen, met daartussen vaak houten wiggen om de hoorn in ruststand de goede vorm te laten behouden.

Bij de na 1960 gemaakte hoorns, zijn de gelijmde in de meerderheid. Het voordeel is dat de door houtlijm aan elkaar bevestigde helften vormvast zijn.

Een laatste maar belangrijke handeling is het aanbrengen van de happe of spool. De happe is uitneembaar en wordt bij voorkeur uit éénjarig vlierhout gesneden. Eerst wordt de zachte pit verwijderd, dan wordt de happe schuin afgesneden, waardoor een ovale opening ontstaat.

(Bron: “Het Midwinterhoornblazen” door Everhard Jans)